De lange tocht naar Bartlehiem

De tocht naar Hindeloopen [Hynljippen] was slechts 11 km ver.

Hindeloopen, 14:30

  etappe   totaal    
afstand 11   77   km
rijtijd 51m   4h00   tijd
snelheid 12.9   19.3   km/h

Tijdens deze tocht rijdt je niet naar Leeuwarden [Ljouwert]: je rijdt van de ene mijlpaal naar de andere mijlpaal, letterlijk en figuurlijk. De stempelkaart vermeldde de 11 km. Wat er niet bij stond was dat je op dit gedeelte voor het eerst de wind tegen zou komen. En hoe! Het ging moeizaam. Tijdens het schaatsen van dit moest ik aan een drietal dingen denken: heb ik wel genoeg gegeten? houd ik dit tempo vol voor de rest van de zoveel km? kom ik wel op tijd aan in Leeuwarden? Voeding is razend belangrijk tijdens dergelijke tochten. Ik had zelf een keer aan den lijve ondervonden wat er met je lichaam gebeurt als je gaat sporten - fietsen in dat geval - en je eet niet genoeg: opeens was het net alsof de tank leeg was. Ik trilde, voelde mij draaierig en viel zowat letterlijk van mijn fiets af. Je moest eten voordat je een hongerig gevoel kreeg. Anders was het subiet te laat. In ieder geval kwam ik met een vrij lage gemiddelde snelheid Hindeloopen binnen. Daar herhaalde zich wat ik reeds van de andere plaatsjes kende: enthousiast juichende mensen en een stempeltje.

Inmiddels had ik ook kennis gemaakt met de eerste "geheime controle". Er zouden er in totaal drie zijn. Op het ijs had men een blauw zwaailicht met een tweetal accu's geplaatst met daarbij een bord "geheime controle". Tot mijn verbazing werd er geen stempel gezet, maar werd er op een bepaalde plaats een soort symbooltje uit de stempelkaart geknipt. Later bleek dat tweemaal dit hetzelfde symbooltje was, een soort "B" en eenmaal een soort "F". De tocht van Hindeloopen naar Workum verliep relatief snel, hoewel ook hier de wind onaangenaam krachtig aanwezig was.

Workum, 15:08

  etappe   totaal    
afstand 9   86   km
rijtijd 38m   4h38   tijd
snelheid 14.2   18.6   km/h

Tussen Workum [Warkum] en Bolsward [Bolsaert] had ik al meerdere malen wat van mijn sportdrank gedronken. Dit soort dranken is speciaal ontwikkeld voor dit soort duursporten: het flesje staat bol van de calorien (ca. 200 kcal) die volledig uit koolhydraten bestaan. Voorts wordt deze brandstof door zijn vloeibare karakter direct opgenomen in het bloed. Echter ik had op een zeker moment toch wel een beetje een hol gevoel in mijn maag. De broodjes waren op en ik besloot iets "maagvullends" te kopen. Het is algemeen bekend dat je geen repen zoals "Mars" mee moet nemen: door de koude worden deze repen namelijk keihard. Bij een koek-en-zopie tentje keek ik wat men had: o.a. broodjes worst of repen. Van een broodje worst heb je gegarandeerd de komende 50 km nog plezier, dus besloot ik wat sportdrank een Marsreep te kopen. Bij zo'n stalletje zou die toch niet bevriezen? De man van het stalletje gaf mij een goede tip: drink eerst een slok uit het flesje, dan zullen we de rest aanlengen met heet water, dan is het niet zo'n koude plens in je maag. Wat de Mars betreft: die was als een (bevroren) kei. Ik heb er een hele tijd over gedaan om de koude, keiharde, reep stukje voor beetje naar binnen te werken, daarbij denkend aan mijn gouden inlays die ik juist nu even niet zou willen missen.

De tocht, inclusief de gedeelten tegen de wind in schaatste ik alleen. Wat je op de TV zag van de wedstrijdschaatsers die in een peleton rijden, was moeilijk te realiseren om de volgende redenen: als eerste moet je een of liefst meerdere personen vinden die precies jouw tempo rijden. Als het te snel gaat, ga je niet netjes schaatsen, je raakt niet in je slag en je wordt snel moe. Ga je met een groepje - in vaktermen "treintje" genaamd - mee dat te langzaam gaat, dan verlies je teveel tijd en kom je te laat bij de finish. Mijn uitermate ongelukkig late starttijd spookte steeds door mijn hoofd. Ik zou een tempo moeten kiezen waarvan ik wist dat ik in het begin niet teveel energie zou besteden zodat ik aan het eind van de rit te moe zou zijn en anderzijds een tempo dat mij op tijd over de streep zou krijgen. Een ander groot gevaar van een dergelijk "treintje" is dat je bij slecht ijs nog wel eens rare bewegingen maakt om een valpartij te voorkomen of erger nog: dat je valt en dat je rest van de trein over je heen dendert. En maal zat ik een treintje waarbij de knaap vr mij f heel vermoeid was f gewoon de schaatstechniek niet goed beheerste: hij had moeite te blijven staan. Tijdens n van zijn pogingen om nog nt te blijven staan sloeg hij met een schaats ver naar achteren, vlak voor mij langs. Zeer gevaarlijk, een schaats in je gezicht is niet aan te bevelen. Even flitste het doorsnijden van een achillespees door mijn hoofd: ook door een schaats, nog geen jaar geleden. Achter mij klonk ook al: "kijk uit voor die knul in die blauwe broek!" Ik besloot wijselijk een flinke afstand te bewaren. De grote onbekende factoren waren de wind, de ijskwaliteit en het duister. Over dit laatste fenomeen, het duister, had ik mij nog geen voorstelling gemaakt.

Nog steeds de laatste stukjes Mars wegwerkend reed ik Bolsward binnen.

Bolsward, 16:15

  etappe   totaal    
afstand 13   99   km
rijtijd 1h07   5h45   tijd
snelheid 11.6   17.2   km/h

Wat een onthaal: juichende mensen overal. Met het zevende stempeltje op de kaart ondernam ik de volgende 17 km lange etappe naar Harlingen [Harns].

De lange tocht naar Bartlehiem: een dipje

Harlingen, 17:33

  etappe   totaal    
afstand 17   116   km
rijtijd 1h18   7h03   tijd
snelheid 13.1   16.5   km/h

In tegenstelling met de weersvoorspellingen was de wind dus absoluut niet gaan liggen. De wind gierde om mijn skibril en mechanisch-automatisch maakten mijn benen de schaatsbewegingen. Door de tegenwind en de scheuren was mijn schaatstechniek verder gerodeerd. Ook de vermoeidheid speelde parten en ik moet bekennen tot mijn grote schande dat ik bij iedere afzet een krassend geluid hoorde. "Netjes afzetten!" klonk het in mijn hoofd. Makkelijk gezegd, met scheuren en harde wind is het "hakken" geblazen, mooi blijven schaatsen is erg moeilijk. Ik vond het opeens niet leuk meer. Ik schaatste hier in de schemering en had na zes uur schaatsen eigenlijk gewoon zin om de schaatsen uit te doen en een lekkere kop erwtensoep naar binnen te werken. "Wat ben ik in vredesnaam aan het doen?" ging er door mijn hoofd. Was dit nu "een lekker stukkie schaatsen"? Psychologen zeggen dat je tijdens zo'n rit minstens tweemaal een dip te verwerken krijgt. Nou, de heren psychologen hebben dan zeker geen rekening gehouden met tegenwind! Waarom zou ik eigenlijk nog doorgaan? Plotseling ontwaarde ik in het schemerduister een spandoek met de tekst: "zet 'm op, nog maar 90 km!". Dat was het toppunt. IK, opgeven na slechts 110 km? OVER MIJN LIJK! Grimmig schaatste ik door. Wat was dat nu? Een dip na slechts 110 km? Kom nou! Geen flauwekul: doorschaatsen!

Toch ging het schaatsen moeilijker: tussen Harlingen en Franeker gaat de tocht der tochten over een aantal smallere sloten. De duisternis (het was toen ca. 18:30) was al ingevallen en langs de verlaten sloten was geen licht. Ik schaatste in het licht van de sterren. Gelukkig was het nog niet zo aardedonker dat ik de kanten van de sloot niet kon zien. Later zou dit veel erger worden. Het aantal rijders per km leek aardig uitgedund. Tot aan Stavoren was er nog sprake van een fiks aantal mensen om mij heen, maar hier waren het er veel minder. Misschien was het ook wel de duisternis die bijdroeg aan dit effect. Deze duisternis was niet alleen vervelend dat je de weg niet kon zien: je kon ook geen barst zien. In beide betekenissen van het woord zag je geen barst. Wat ik later realiseerde, was dat om de een of andere reden de barsten jou wl schenen te vinden. Kortom: valpartijen. Door deze duisternis was ik ook voorzichtiger gaan schaatsen. Een beetje doorschaatsen hield in dat je geheid op je gezicht viel. Dus: snelheid aanpassen. Echter: ik realiseerde mij dat ik nog heel wat kilometers te gaan had (nog 71 km vanaf Franeker) voordat ik bij de Bonke door de eindstreep zou gaan. Ik was mijn horloge vergeten, maar de intredende duisternis deed mij beseffen dat ik niet echt onbeperkt tijd had. Kortom: doorschaatsen. Het was pikdonker toen ik via een aantal wat smallere kanalen Franeker [Frentsjer] binnen: daar had men een soort "erepoort" gemaakt.

Vanaf Franeker naar Bartlehiem

Franeker, 18:50

  etappe   totaal    
afstand 13   129   km
rijtijd 1h17   8h20   tijd
snelheid 10.1   15.5   km/h

Ik werd bij het klunen bij de doorgang door de erepoort enthousiast ontvangen. "Zet 'm op, het is geweldig dat je Franeker gehaald hebt". Het stadje zelf bood de inmiddels vertrouwde aanblik van drommen enthousiaste mensen. Door die aanmoedigingen voelde ik mij minstens twee maal zo fit en reed met negen stempels op mijn kaart richting Bartlehiem. Dat was nog maar 47 km. Wie had er trouwens ooit van Bartlehiem gehoord? Mijn Friese gastgezin had zelfs verschillende meningen over de uitspraak: "Bhtlehim" vs. "Brthlehim". Er werd beweerd dat de uitspraak van Henk Kroes niet "raszuiver" was. In Grou zou het beste Fries gesproken worden. Overigens, later heb ik uit pure nieuwsgierigheid eens op mijn kaart van Nederland gezocht: vergeefs. Ook hoorde ik dat een aantal mensen een hotel had willen reserveren in Bartlehiem. Vijf huizen en een kerk, that's all. Maar voorlopig was ik er nog niet. Nog lang niet. Nog zeer lang niet.

Naast de inmiddels onafscheidelijke wind waren er nog twee andere onplezierige factoren bijgekomen: de duisternis en de ijskwaliteit. Het is zeker niet leuk als je al met startnummer 67.681 als laatste groep start, het houdt ook in dat een slordige 11.500 mensen vr jou over het ijs zijn gedenderd. Er waren in totaal 16.430 mensen gestart, waarvan er uiteindelijk 11.338 (69%) het felbegeerde kruisje zouden halen. In ieder geval speelde zich nu het volgende af: bij wat bredere vaarten waaiert het aantal rijders zich uit over de bijna volledig breedte van het ijs. Bij de wat smallere vaarten zoals daar het geval was, was iedereen over hetzelfde stukje ijs gereden. Kortom: volledig aan gort getrapt. Het ijs was bar en boos: sommige scheuren waren z diep uitgereden, dat een tramrails er jaloers op zou worden. Door de duisternis was er ook geen redden aan: je reed geheid in een scheur en je ging gewoon op je gezicht. Mijn knien en ellebogen hadden het nodige te verduren gekregen en deden flink zeer. Tot mijn grote geluk waren mijn knien alleen pijnlijk maar behielden ze - zij het wat stijfjes - hun functionaliteit. Andere verwondingen had ik gelukkig nog niet aan dit alles overgehouden. Het ijs werd slechter en slechter naarmate ik vorderde. Weliswaar stonden op meer plaatsen mensen langs de kant te roepen "links aanhouden", "kijk uit voor een grote scheur in het midden", "water op het ijs" enz.

Bij die gedeelten waar het ijs werkelijk heel slecht was en waar het mogelijk was had men auto's langs het ijs geparkeerd die met hun lichten het ijs verlichtten. Dat was geen luxe, maar pure noodzaak. Op andere gedeelten van de route had men bij bochten in het traject landbouwtrekkers in het weiland gezet die met hun lichten een bocht aangaven. Zonder licht zou je subiet de kant in zijn geschaatst. Het ijs werd slechter en slechter. Ook nam het aantal kluunplaatsen toe. Overigens mijn complimenten voor de vele vrijwilligers die daar in de snijdende koude de schaatsers hielpen. Talloos waren de plaatsen waar je van het ijs moest en na een vijftal meters klunen een stukje verder weer op het ijs moest. Bij zo'n kluunplaats werd je door hulpvaardige handen omhoog gehesen en naar de andere kant geholpen. Het deed mij veel goeds hun "peptalk" te horen: "kom op, het is nog maar ... km naar ..." of: "over vijf km wordt het ijs beter" (...). Soms was de hulpvaardigheid een beetje t: je werd gewoon over een talud "heengesodemieterd". Maar niets dan lof over deze vrijwilligers.

In het duister, slechts bij het licht van de sterren - het was nieuwe maan, dus daar was weinig bijdrage van te verwachten - was het moeilijk voortgaan. Een aantal schaatsers had lampen op hun schaatsmuts, gelijk mijnwerkers. Ik moet eerlijk toegeven dat deze gedachte nooit bij mij was opgekomen. Deze mensen konden in ieder geval het een en ander zien. Het grote nadeel was dat het licht van deze lampen hooguit een meter of drie reikte. Dat hield in dat ze slechts het ijs van drie meter voor zich konden zien en dat alles dat daarvr zat, voor hen een grote onbekende was. Zonder lamp was het ijs vlak vr je weliswaar niet goed te zien, maar je kon wel bij het flauwe schijnsel van de sterren zien of de route naar links of naar rechts ging. Als je geluk had. Meerdere keren was ik bijna in het riet beland. Een ander nadeel van de schaatsers met lamp was dat ze hun snelheid aanpasten. Ze zagen alle scheuren, dus reden ze een tempo dat hen in staat stelde deze scheuren te omzeilen. Nadat ik een aantal kilometers achter een schaatser met een lamp had gereden, besloot ik deze man maar voorbij te gaan, omdat het anders niet snel genoeg zou gaan.

Startpagina Verder